Deel 1
De opdracht
In het jaar 1074 leefde er in het Rijnland een dapp’re ridder. Hij was Wiedewein van name en kwam op het kasteel van de landheer Die Roode aan op een mistige ochtend die een mooie dag beloofde. Maar hij spoedde zich naar binnen, want de tocht van de herberg waar hij overnacht had naar het kasteel van de landheer had hem drie uur gaans gekost. Veel meer dan hij had ingeschat. Hij was laat, hij hoopte dat de ontmoeting nog niet bezig was.
In de herberg was hij rustig ontwaakt in het stro van de zaal waar hij sliep. De meid die hem wekte met een beker bier en een bord roggepap was met haar wervelende rokken langs zijn hoofd gestreken voordat ze hem aanstootte. De ruwe stof en haar zachte por hadden hem doen ontwaken. Het was nog donker in de zaal, maar Wiedewein was klaarwakker door het prikkende stro en de aanblik van de meid. Haar forse gestalte schemerde in de donkere ruimte en gaf hem levenslust. De meid gaf hem zijn bier en zijn pap en keek hem aan. Wiedewein loerde lustig terug. Of de ridder naar wens geslapen had en of ze hem nog met iets van dienst kon zijn, anders kon hij vast betalen en zou zijn afscheid niet vertraagd worden.
Na het bier en de pap was de ridder op weg gegaan. Hij had geen paard en lopende ging hij door het land. Zijn leren schoenen droegen hem over velden en wegen, door bossen en moerassen op weg naar het kasteel van de landheer. Langs een akker was hij enige tijd opgehouden door een oude boer die tegen een versleten handkar leunde. Het wiel liep aan, en de ridder zou hem toch wel kunnen helpen, betoogde de oude boer. De ridder had aan zijn heer de gelofte afgelegd in navolging van de Zoon Gods altijd te geven wat hij missen kon, of dat nu in goederen of handelingen was. En dus hielp hij.
De kar was volgeladen geweest, dus Wiedewein meende eerst een deel van de lading te moeten lossen voordat het wiel weer vrijelijk kon draaien. En ja hoor, na wat sjouwerk kon je de ridder horen verklaren: ‘Zie, oude boer, uw wagen rijdt weer zonder hindernis als ge hem niet zo zwaar belaadt. Nu, waar is uw schuur? Dan los ik met u de lading en halen we de rest van uw goed spoedig op, opdat de beesten des velds er niet het hunne mee zouden doen.’ En zo had de ridder oponthoud gekregen, maar de boer was dankbaar geweest en zijn struise dochter had de ridder een stuk broods voor onderweg gegeven en hem een reis gewenst die vergezeld ging van alle goede zegeningen Gods.
Wiedewein spoedde de brug van het slot over. Door de poort trad hij de binnenplaats op, waar een wacht hem direct naar de kleine zaal van de landheer wees. Hij moest een tweede poort door, kleiner dan de eerste, en kwam in een smalle hal terecht. Aan het eind was een eiken deur, die krakend openging toen hij een ruk aan de deurklink gaf.
Binnen stond een kleine ronde tafel. In het midden van de tafel brandde een stompe kaars. Naast de kaars lag een mes naast een ruw houten bord waarop nog wat kruimels lagen. Een wilgenhouten kroes stond rechts van het bord. In een grote stoel recht tegenover de deur zat een zwaargebouwde man. Zijn hoofd stond laag op zijn schouders, die een beetje voorover hingen. Een grote bos zwart haar golfde over zijn schouders. Toen de deur openging had hij schichtig opgekeken. Zijn felgele ogen gaven haast licht. ‘Ge zijt laat, Wiedewein,’ zei hij met een zachte zware stem. ‘Zet u op de stoel, en luister.’
Wiedewein stapte over de eikenhouten drempel de kleine zaal in. Zijn stappen werden gedempt door een wollen kleed dat over de plankenvloer lag. De landheer volgde zijn gang door de kamer en wees hem de stoel rechts van hem. Links zit de duivel, placht hij te zeggen, en dus stond er links van hem geen stoel. De ridder schoof de aangewezen stoel naar achter en nam plaats. Zijn ruwwollen mantel drapeerde hij over de leuning. ‘Hoort toe en luister goed, Wiedewein,’ zei de landheer. ‘We hebben een probleem.’
Landheer Die Roode sprak lang en uitvoerig met ridder Wiedewein. Nu eens zacht en mompelend, dan weer nadrukkelijk en vol vuur. ‘Het land wordt geteisterd door rampen, Wiedewein, er waart een spook over de landerijen. Ik heb gehoord dat in Ravensteen het vee massaal gestorven is. In Alft brandden zes boerderijen af in zeven dagen, alleen op zondag bleef het dorp een ramp bespaard. Op verschillende plaatsen langs de rivier is de oogst gestolen. De dieven zijn nooit gepakt.’
De landheer vertelde verder over echtparen die door ontrouw uiteen gedreven werden. Er verdwenen kinderen in de bossen, en ‘s nachts huilden de wolven woest in de velden. In de bossen oostelijk van Nijmegen was zelfs een beer gezien, voor het eerst in meer dan honderd jaar. Het samengaan van zoveel plagen en zonden kon volgens de geestelijken van het klooster, dat vlakbij de burcht van de landheer gelegen was, slechts betekenen dat God de gemeenschap strafte voor begane zonden. ‘Hij laat de demonen uit de Hel vrijelijk door onze landen trekken,’ stelden de monniken, ‘Zijn toorn is zo groot, omdat er zo veel zonden zijn. Zijn straf treft ons hard, maar wij moeten geloven in zijn barmhartigheid, want de Zoon Gods is gestorven voor onze zonden.’
De mensen van de streek werden tot wanhoop gedreven, zo zeer dat ze nieuwe zonden begingen om hun pijn te vergeten en zo dreigden de dorpen en mensen van landheer Die Roode af te glijden tot een orgie van goddeloos geweld en haast heidense losbandigheid.
‘Ridder Wiedewein,’ sprak Die Roode, ‘gij zijt de enige die ik vertrouwe, om uw deugd en Godelievendheid. Ga heen en strijd voor uw God en uw heer, verdelg de demonen die door onze dorpen waren, laat de mensen bidden en God tevreden stellen. Leef ze het goede leven voor.’ En de ridder ging heen, het land van Die Roode in.
Dirk Hulst 2025
