2. Het boerenwijf en de beer

De hoofdweg liep van oost naar west door het Rijnland. Hij kronkelde als een grote slang om burcht van Die Roode. De hoge muren van het kasteel stonden in de aarde van de weg, alsof de burcht stevig door de slang werd omklemd. Naar het westen ging de weg langs de rivier, om uiteindelijk ergens richting zee naar noord en zuid te splitsen. In het oosten verdween de weg na een paar uur gaans in de dichte heuvelachtige bossen. Het was hier dat de mensen drie dagen geleden een grote beer hadden gezien.

Wiedewein had mogen overnachten in de burcht, maar hij koos ervoor al voor de avond viel weer op pad te gaan. Die Roode had zo indringend gepraat, dat Wiedewein nog die avond van de mensen in het bos wilde weten waar zij de beer gezien hadden en hoe groot en sterk het beest kon zijn.

De zon stond in zijn rug toen Wiedewein over de weg naar het bos liep. Hij liet zijn rechterhand rusten op het gevest van zijn zwaard, dat aan een stevige leren riem om zijn middel hing. De velden kleurden goud door de lage zon. Zwaluwen scheerden laag over de weg en merels zongen over de naderende nacht. 

De ridder dacht aan de meid uit de herberg, die hem aangekeken had en hem zijn gelofte van trouw aan zijn verloofde had doen vergeten. En hij dacht aan de boerendochter, die eenzelfde effect op hem had gehad. Hij had haar zachte blanke hals gezien, de sproeten op haar wangen en haar zachte roodblonde haar. En hij kon alleen maar denken aan wat er onder haar stugge, bruine linnen klederen schuilging. Zijn lust brandde, en hij keek beschaamd naar het stof van de weg onder zijn voeten.

Was dit ook het werk van de demonen van de Duivel? Zetten zij hem aan tot onkuise, ja, zondige gedachten? Werd ook hij door God beproefd? De ridder zeeg neer langs de kant van de weg. Met zijn knieën in het gras en zijn handen voor zijn borst gevouwen zond hij vurige gebeden naar boven. Bedes om vergeving en bedes om de kracht elke duivelse verleiding te weerstaan. Na enige tijd volledig in de aanwezigheid Gods op gegaan te zijn, vervolgde de ridder zijn weg.

Tussen de velden zag hij een kleine hut opdoemen. Een rieten dak, ruwe planken muren en een kleine schoorsteen waar wat rook uit kringelde. Wiedewein besloot af te buigen door de velden naar de bescheiden woonst en eens uit te zoeken of de bewoners hem meer konden vertellen over de vuige beer die in de bossen nabij ronddoolde.

Rond het houten huis was de aarde kaal en aangestampt. Achter een houten hekwerk stonden twee varkens, een groot en een klein, te knorren en te snuiven toen de ridder aankwam. Een groep mussen, die in de aarde op zoek was geweest naar iets te eten, vloog op toen Wiedewein het erf op stapje. Een paar kippen stoven het varkenshok in en om de hoek van de hut kwam luid blaffend en razend een grote bruine hond op de ridder toegestoven.

De hond sprong tegen Wiedewein op en wierp hem bijna omver. Met een krachtige beweging van zijn hele lijf wierp Wiedewein de hond van zich af op de aangestampte grond. ‘Koest!’ bulderde hij, en de hond, niet gewend aan zo’n donderdende basstem, zakte piepend door zijn poten en keek de ridder onderdanig aan. Toen was er geschuivel te horen in de hut. De houten deur, gemaakt van verticale ruwe planken, eiken dacht de ridder, kierde open en iemand tuurde naar buiten. Door de duisternis binnen viel een schaduw over het gezicht, maar het wit van de priemende ogen was duidelijk te onderscheiden.

‘Moet dat?’ vroeg een zachte stem.

‘De zegeningen Gods zij met u, manne of vrouwe, want ik en zie niet wie ik voor mij heb,’ begon de ridder, en hij vervolgde zijn groet met een vraag: ‘Mag ik u wat vragen, het liefst bij het vuur, want het gaat over de bruine beer die hier onlangs gezien is.’

‘De beer,’ fluisterde de zachte stem, ‘ja, de beer, daar kan ik u alles over vertellen. Kom erin.’

De ridder liep naar de deur en pas toen hij vlakbij was, ging deze verder open. Een hand, ruw en vuil van het werk op het land, hield de deur voor hem open en een andere hand wenkte hem naar binnen. ‘Kom, kom, het wordt zo duister, u kunt beter niet meer buiten zijn op dit uur.’ De ridder stapte het vertrek in, dat schemerig en donker was en waar de rook van het vuur langzaam naar de nok kringelde. In het riet van het dak hoorde hij de mussen kwetteren.

Middenin de ruimte stond een stenen vuurplaats met er rond een paar lage houten krukken. Een gedaante bewoog door het donker naar het vuur en ging op een kruk zitten. ‘Kom erbij. Ridder, zo meen ik te zien, want uw zwaard is van goede kwaliteit.’

‘Dank u, uw vuur is waarlijk warm,’ zei Wiedewein, die in de oranje gloed van het vuur probeerde te zien wie er in de donkere klederen schuilging. Door een mantel met een kap was het gezicht van de bewoner verborgen voor de blik van de ridder.

De bewoner van de boeren woonst nam een ijzeren pook en rommelde wat in het vuur. Gooide er nog een blok hout op en liet het vuur zo hoger en lichter branden. Toen draaide zijn gastvrouwe zich naar hem om en deed haar kap af. Lang rood haar viel over haar schouders en haar blanke huid werd oranje verlicht door het oplaaiende vuur. In haar blauwgroene ogen weerspiegelden de vlammen, terwijl ze Wiedewein strak en indringend aankeek. 

‘Ridder, u vroeg naar de beer,’ zei de boerenvrouw, ‘vertel me toch, waarom wilt u over de beer horen?’

‘Best wijf,’ zei de ridder, ‘ik zoek de beer om hem te doden. Ik ben in opdracht van landheer Die Roode het Rijnland in gegaan om het te verlossen van zonden en demonen.’

‘De beer is geen duivelswerk, heer ridder,’ zei de vrouw, ‘ja, hij raast door de bossen en werpt bomen omver. Hij vermorzelt hekken en raust het vee mee naar zijn hol. En er wordt gesproken over kinderen die hij met het hoofd tussen zijn kaken de bossen in zou sleuren, maar duivelswerk is hij niet.’

‘Doch, lief wijf, wat u beschrijft klinkt als het werk van de duivel. Hoe kunt ge zeggen dat de beer geen duivelswerk is?’

‘Deze beer is natuurlijk geboren, uit een vrouwtjesbeer die hier vijf jaar geleden in het bos heeft gedoold. Ik heb hem als kleine berenwelp gezoogd zien worden. Hij is zeer groot en sterk geworden, omdat hij de enige was die het nest overleefde.’

‘Maar, boerenwijf, hoe kan deze beer nu pas een plaag zijn, als de duivel er niet aan te pas is gekomen?’

‘Och, ridder, de beer moet uitgehongerd zijn. Alle herten, zwijnen, reeën en zelfs wolven heeft hij uit het bos gejaagd of opgevreten. Hij kan niet anders dan zich vergrijpen aan ons vee.’

‘Doch, wijfje, gij zult ook vinden dat de beer bestreden moet worden?’

‘Ja, ridder,’ zei de boerenvrouw met het rode haar, ‘maar niet te zwaard. Nee, de beer zal zonder geweld en met niets dan wapenloze handen uit het bos verjaagd moeten worden.’

‘Onmogelijk,’ stamelde de ridder, ‘hoe zou zo’n vuig en vurig beest met niets dan blote handen uit zijn gebied gejaagd kunnen worden. Ik zal hem morgen zoeken en met mijn zwaard bestrijden.’

‘Nee,’ zei de boerin zacht, en zij keek de ridder dwingend en open aan. ‘Gij zult doen zoals ik u opdraag. Ge zult de beer verjagen met niets dan uw blote handen en uw stem.’

In Wiedewein brandde een vuur als nooit eerder. Hij keek in de blauwgroene ogen en voelde dat hij viel. Hij viel in een diepe koker, blauwgroene slierten als van haar iris draaiden om hem heen, licht schijnend in een duistere schacht. Rode strengen haar wikkelden zich om hem heen en zorgden voor een zachte val in een laag stro op een harde aarden vloer. Daar lag hij, en daar viel hij in slaap terwijl hij droomde van de boerenvrouw, die op blanke blote voeten door het bos liep en de beer zachtjes toesprak. De beer volgde haar waar zij ging, als had zij hem betoverd.

Dirk Hulst 2026.