Er was eens een kabouter, die in een hol onder een dikke plataan in het Stadspark woonde. De ingang van het hol lag verscholen onder een dikke boomwortel, die uitstulpte en er zo voor zorgde dat de aarde voor het hol altijd droog was. Binnen was het enige licht afkomstig uit de nauwe opening onder de boomwortel. In een hoek van het hol, waarvan de vloer eenvoudigweg van aangestampte aarde was vervaardigd, lag het nest van de kabouter. Een stapel donsveren en hondenhaar en een deken van zacht wit papier, die de kabouter in de bosjes had gevonden. De deken was hier en daar wat krakkelig en geurde weeïg. Daar sliep de kabouter elke nacht met veel genoegen.
In een andere hoek van de ruimte stond de tafel, die de kabouter had gevonden onder een vuilnisbak. Een groen kartonnen geval met een plaatje van een tak met appels. Daar aan die tafel schonk de kabouter zich elke ochtend een kopje koffie in en at hij een croissantje. Die voedingswaren kocht hij in de winkel van de bosfee, die aan de andere kant van het veld woonde in de uitgeholde stam van een oude kastanjeboom.
Deze ochtend was de koffie op, en hij had nog maar twee croissantjes. De kabouter besloot dus om naar de winkel te wandelen en zijn knapzak vol te laten met koffie en brood, zodat hij weer enige weken vooruit zou kunnen.
De kabouter schopte zijn vilten pantoffels uit en trok zijn pyjamabroek naar beneden. Hij zou zich eerst eens wassen, want de bosfee moest een goede indruk van hem houden. Hij pakte zijn teil en goot die voor de helft vol met koud water. Op zijn fornuisje kookte de kabouter vier ketels met water, die hij een voor een in de teil kieperde.
Omdat hij pas een paar maanden in het park woonde, had hij nog geen kans gezien om een boiler te installeren. De gasaansluiting was aangelegd door de oude mol, die samen met de reiger de gasvelden in de vijver ontgon. De karpers waren erg ontevreden met het geboor in hun bodem, maar gezien de reputatie van de reiger en zijn vrouw hielden zij zich wijselijk stil.
In de tobbe schrobde de kabouter zich goed schoon. Hij stroopte het vel van zijn lulletje omhoog en waste zijn roze eikeltje grondig. Daarna haalde hij een klein wit washandje tussen zijn harige billetjes door en langs zijn balletjes (die in een klein gerimpeld zakje tussen zijn beentjes bungelden). Hij zeepte zijn weelderige witte schaamhaar in en spoelde zijn lichaam daarna af in het lauwe water.
Na het wassen trok hij een zwart wollen hemd aan en nadat hij buiten de teil geledigd had, trok hij een schone zwarte slip aan. Hij stak zijn beentjes in een blauwe ruimvallende spijkerbroek en trok een mosgroen overhemd van linnen aan. Het overhemd stopte hij in zijn broek, waarna hij donkerblauwe bretels aandeed en een cognacbruine leren riem omsjorde. Ten slotte pakte hij zijn bordeauxrode fluwelen jasje van de kapstok en zette een mutsje van dezelfde stof op zijn bolletje. Hij pakte zijn knapzak en wrong zich door het gat onder de boomwortel naar buiten.
Hij snoof de frisse buitenlucht op. Deze ochtend lag de dauw dik op het omringende gras. De bomen waren nog kaal, zodat de zon hem warm in het gezicht scheen. Het zou nochtans niet lang meer duren eer de eerste bladeren aan de bomen groeiden. Dan zou de ingang van zijn hol weer tot de herfst in de schaduw liggen.
De kabouter liep links voor de boom langs het veld op. Na een half uur was hij halverwege. Hier stond een reusachtige picknicktafel met gigantische bankjes, waar vaak wel iets lag waarop de kabouter even op kon uitrusten. Vandaag lag er een prop papier waarop hij ging zitten. Snel nam hij een paar teugen uit en klein aardewerken kruikje, dat hij in zijn knapzak had meegedragen.
De tocht was altijd zwaar, omdat het veld vol lag met stukken hout en de mol graag elke dag nieuwe hopen boven het gras uit duwde. De kabouter moest dus veel klimmen en struikelde dikwijls over het onregelmatige terrein.
Ineens hoorde hij krassend achter zich: ‘Goedemorgen, lekker stuk.’
Het was de reiger. Zijn lange dunne roze tong hing aan de zijkant uit zijn snavel. ‘Ik kan je wel even overvliegen hoor, kom maar in mijn snavel zitten.’
De kabouter klom behendig in de snavel van de reiger en zei: ‘Naar de bosfee, graag.’
Snel hief de reiger zijn kop recht omhoog en schudde wat.
‘Stop!’ De kabouter sloeg op de binnenkant van de snavel en beet snel en hard in de lange tong van de reiger. Hij wurmde zich uit de snavel toen de reiger een kreet slaakte, en viel hard in het gras tussen de grijze tenen van de vogel. ‘Klerelijer, je moeder,’ riep de kabouter naar boven.
De reiger keek hem woedend aan. Zijn moeder was omgekomen na een aanvaring met de ooievaar, die in de hertenkamp kwartier gemaakt had. Haar nek was gebroken en haar kop was losgetrokken van haar lijf. Tien meter lager kwakte haar lijk als een dot grijze veren tussen de bruine bladeren. Haar kop was nooit teruggevonden.
De reigers nu geloofden dat de ziel van een soortgenoot eeuwig doolde als de kop niet bij het lichaam verteerde. De kabouter begaf zich dus op glad ijs door de reiger zo te beledigen. Net toen deze hem met een ferme tik van zijn snavel wou doorboren, wist de kabouter onder de tafel in een gang van de mol te glippen. De reiger prikte mis, en de kabouter zag nu geen hand voor ogen.
Op handen en knieën bewoog de kabouter voort. Hij moest zijn puntmuts afzetten omdat die telkens aan het plafond van de gang bleef haken. Zijn handen werden zwart van modder en ook op zijn kleding en gezicht liet de aarde haar sporen na. Na enige tijd gekropen te hebben, misschien wel een kwartier, hoorde de kabouter wat gerommel in de gang voor hem. ‘Hallo?’ riep hij, waarop het antwoord volgde.
‘Wie is daar? Ik kan u noch zien, noch ruiken, noch voelen. Slecht hoor ik u, vreemdeling. Maakt u gaarne kenbaar, of ik ben gedwongen de wrok der aarde op u neer te doen storten.’ Het was de mol, die, hoewel zijn ogen slecht waren, zeer belezen was. ‘Ik ben het,’ maakte de kabouter zich kenbaar. En hij vertelde dat hij, op weg naar de bosfee, door de reiger lastig gevallen was.
‘Mijn gevleugelde vriend ontpopt zich dikwijls tot de nemesis van onze klandizie,’ meende de mol, en hij kwam gemoedelijk op de kabouter toe. ‘Kom, waarom neem je niet lekker een broodje warme worm, voordat je je weg naar de bosfee vervolgt?’
De kabouter had geen zin in een vette hap, en hij sloeg het aanbod van de mol dus beleefd en resoluut af. Wel wilde hij weten welke gang hij moest nemen om zo snel mogelijk bij de bosfee te komen, want in het gangenstelsel van de mol kon je verdwalen zonder dat je ooit weer gevonden werd.
De mol wees hem de weg, en na een kwartier kruipen zag de kabouter het daglicht door een kleine uitgang schijnen.Hij klauterde uit de duistere mollengang en liep op de kastanje van de bosfee toe. Even rustte hij uit in de zon, die krachtiger scheen. De bosfee woonde op drie hoog, en de klim in de verrotte stam van de oude kastanje was dan wel niet zo donker als de tocht door de onderaardse tunnels, vermoeiend was het wel.
Met zijn blote handen begon de kabouter aan de klim. Zijn blote voeten plantte hij stevig in de weke, rotte houtpulp van de stam. Op één hoog woonde het eenoudergezin van vrouwtje woelmuis. Hij hoorde de kinderen piepen van achter de deur. Op twee hoog stond een appartementje leeg, wat niet verwonderlijk was als je de staat van de buitenmuren opnam. De kabouter kon op elke plek zijn voeten diep in de stam planten, waarbij er wolkig vocht uit het rotte hout opwelde.
Na zo enige tijd geklommen te hebben, kwam de kabouter eindelijk aan bij het winkeltje van de bosfee. Terstond liet zij hem binnen, alsof ze hem al had aan zien komen, en met een vrolijke lichtheid begroette zij hem. ‘Welkom, kabouter, doe vooral alsof je thuis bent. Wil je even in het bad? Je ziet eruit alsof je zowel door de reiger als door de wrok der aarde te grazen bent genomen.’
Even in het bad, dat wilde de kabouter wel. En dus stond hij zich even later uit te kleden in het roze badkamertje van de bosfee. Het bad liet hij volstromen met heet water, en toen hij net onder het sop zat, ging de deur open op een kier. De fee gluurde naar binnen met rode blosjes op haar wangen.
‘Is het water goed, kabouter? Heb je nog iets nodig? Och, je ziet er zo vermoeid maar ook zo dapper uit,’ verzuchtte de bosfee. Ze liet haar blik over de witbehaarde borstkas van de kabouter glijden, en sloot toen blozend de deur.
Na het afdrogen trok de kabouter zijn slip aan. Weer hoorde hij het kieren van de deur en voelde hij de glurende ogen van de bosfee over zijn haast naakte lichaam gaan. Ze overhandigde hem wat schone kleding, die uit de nieuwe collectie van het winkeltje afkomstig was. De kabouter nam de kleren dankbaar aan.
Met een knapzak vol koffie en croissantjes en in zijn nieuwe kleren gestoken klom de kabouter een klein uurtje later langs de stam naar beneden. Met een huppel in zijn pas liep hij over het veld. De lente was duidelijk in aantocht, en de dag van de kabouter kon, niettegenstaande het moeilijke begin ervan, niet meer stuk. Zonder onderbreking en vol energie ging de kabouter over het veld naar zijn hol, voornemens om eens lekker op de bank te ploffen na deze actieve dag. Maar bij de boom aangekomen, viel zijn verende pas langzaam stil. De kabouter kon zijn ogen niet geloven.
Voor de ingang van het hol krulde vanaf de dikke boomwortel een warmbruin gevaarte naar beneden. De afgeronde punt steunde op zijn stoepje. De zachte materie drukte tegen de muren, de kozijnen en de deur van zijn woning. De scherpe, branderige lucht sloeg hem van enkele passen afstand in het gezicht. De zware walm benam hem de adem, en hoestend en kuchend kwam hij naderbij om de situatie in zich op te nemen. Voor zijn deur hing een enorme hondendrol.
De moed zonk de kabouter in de tenen. Met zo’n ravage had hij niet eerder te maken gehad, en hij wist niet wat hij ermee aan moest. Achterom had hij wel een bezempje staan, en een vegertje met blik, maar tegen zo’n gigantische hoop konden zijn gereedschapjes toch niet op?
Juist toen de kabouter dacht dat hij een aanvraag voor een nieuw hol zou moeten indienen bij de specht, die de boomwoningen in het park uitbaatte, hoorde hij achter zich een groot rumoer: ‘Een smakelijk hapje, jongens, zo’n warme hebben we al enige weken niet gehad,’ klonk het.
Met veel gewervel van vleugels en gekras van snavels kwamen de kraaien, eksters en kauwen van het park naar de boom van de kabouter gevlogen. Dol van enthousiasme kwamen zij aan. Huppelend en springend kwamen zij op de boom toe en toen ze de kabouter treurig met zijn bezempje in de hand bij de drol zagen staan, lachten zij schel: ‘Wel, kabouter, heb je ooit zo’n schitterende glanzende bruine drol gezien? Een waar feest voor onze soort. Hou de eenden op afstand, en wij zorgen ervoor dat je voor het eind van de middag je hol weer in kan.’
Daaraan was niets gelogen. Grote bruine brokken stront verdwenen in de zwarte snavels. Gulzig namen de kraaien, kauwen en eksters de drol in hoog tempo tot zich. Springend en kraaiend en dansend namen ze afscheid van de kabouter.
Toen deze eindelijk op de bank kon ploffen, reflecteerde hij vol ongeloof op de dag. Eerst de dominante reiger, die hem bijna naar binnen gewerkt had. Daarna de mol, die hem vriendelijk bejegende, en de bosfee met wie hij zich bijzonder goed vermaakt had. En toen nog de enorme bruine massa voor zijn deur, die binnen de kortste keren in de kelen van de kraaiachtigen verdwenen was. De kabouter besloot dat er iets moest gebeuren. De reiger kon hij niet aan, en bovendien was hij van hem afhankelijk voor zijn gas. Maar de hond die zijn woning bevuild had, zou hij stevig aanpakken.
Nog dezelfde middag scharrelde de kabouter bij de picknicktafel rond op zoek naar een oplossing voor de honden. Bij een van de poten van de tafel vond hij een lange, dunne en scherpe bamboespies. Die avond zat de kabouter verscholen onder de boomwortel op wacht. Hij dommelde weg en zijn mutsje viel van zijn hoofdje in de aarde.
De kabouter schrok wakker en keek uit over het rustige lege veld. Maar toen hij bijna weer in slaap viel, hoorde hij het ruisen van een groot lichaam. Een enorme bruine hond rende over het veld. Zijn oren en vacht zwaaiden in het rond op de deinende beweging van het gespierde hondenlijf. Even hield de hond stil, keek in het rond en vervolgde toen zwierend zijn weg.
Na een tijdje hoorde de kabouter snuffelende geluiden. De geur van de drol zal nog wel lichtelijk aanwezig zijn, dacht hij, en ja, de enorme natte snuit van de hond die hij zo even had zien rondrennen, kwam over de boomwortel snuivend op hem af. Nu kwam het erop aan. Stil blijven zitten. Niet overhaast reageren.
Bevend keek de kabouter toe terwijl de hond over de wortel sprong. Het harige beest draaide en schudde met zijn kop vlak voor het gezicht van de kabouter. De witte tanden blokkeerden in het maanlicht. De stinkende rotte walm van hondenadem blies de muts van het hoofdje van de kabouter. Als de hond hem rook, was hij er geweest. Hij was niet groter dan een hondenbrok, een hondenkoekje in de ogen van het beest. De kabouter huiverde.
Maar de hond rook hem niet. De zware geur van de drol die die middag voor de voordeur gebungeld had, was nog te sterk. De hond stak zelfs verlekkerd zijn tong uit om de smaak van het uitwerpsel te proeven. Hij likte de kabouter van teen tot kruin af.
De kabouter handelde nu als in een droom. Volautomatisch en op instinct. Hij knielde, maakte zich klein. De hond genoot van de smaak van de drol en blafte, draaide zich om en zakte hurkend door zijn achterpoten. De staart zwiepte krachtig omhoog, laag over het hoofd van de kabouter. Voor een ogenblik keek de kabouter recht in de aars van de bruine hond, die zich op het ritme van het ruisen van de wind leek aan te spannen. Zonder aarzelen stak de kabouter met al zijn kracht de lans die hij gevonden had omhoog.
Het beest jankte en schudde. Slaakte verschillende kreten. Toe de zware roep van een reus, een kwaadaardig menselijk wezen, die over het veld schalde: ‘Sito! Hier!’
Met veel geweld van poten stoof de hond stampend en trappelend weg over het veld. Een straal bloed spoot uit de kringspier en bevlekte de deur van het hol onder de boom.
De kabouter zag de hond nooit weer. Noch zag hij andere honden, alsof er een magische spreuk over de boom was uitgesproken die alle beesten ervan weerhield boven zijn voordeur hun lijf te legen. En tijdens zijn volgende bezoek aan de bosfee vertelde hij zijn verhaal, dat zij zeer heldhaftig vond en waardoor zij hem nog meer waardeerde.
De kabouter kwam nog vaak bij haar, en paste tijdens de tocht naar de oude kastanje altijd goed op dat hij niet gegrepen werd door de reiger. Wel ging hij altijd bij de fee in bad, en elke keer als hij eruit stapte voelde hij de gulzig spiedende ogen van de bosfee over zijn witbehaarde lichaam glijden.
En zo, geachte lezer, leefden zij nog lang en gelukkig.
Aan de hondenbezitter is de moraal van dit sprookje gericht. Laat uw hond uit, maar ruim achter hem op, want hoewel het een feestmaal voor kraaien is, is een uitwerpsel van het beest de verdoemenis van de kabouter.
Dirk Hulst – november 2025
